ECLI:NL:HR:2021:1667

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2021
Publicatiedatum
9 november 2021
Zaaknummer
20/02917
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 GemeentewetArt. 220c GemeentewetArt. 220e GemeentewetArt. 17 Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt juiste heffingsmaatstaf voor OZB-gebruiker na woondelenvrijstelling

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant legde aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op voor het jaar 2017, gebaseerd op een WOZ-waarde van €531.000 en een heffingsmaatstaf van €224.000. Belanghebbende betwistte de hoogte van de aanslag.

Het hof oordeelde dat de heffingsmaatstaf moest worden vastgesteld door de WOZ-waarde te verminderen met de waarde van de woondelen, vastgesteld op €324.000 volgens een taxatierapport, en stelde de heffingsmaatstaf vast op €207.000. Dit oordeel werd aangevochten in cassatie door het bestuur.

De Hoge Raad overwoog dat de heffingsmaatstaf voor de OZB-gebruiker moet worden gebaseerd op de WOZ-waarde zoals vastgesteld in de WOZ-beschikking, verminderd met de waarde van de woondelen die in die WOZ-waarde zijn begrepen. Het hof had ten onrechte de waarde van de woondelen uit een later taxatierapport gebruikt in plaats van de WOZ-waarde. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie toe en veroordeelde partijen niet in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de woondelenvrijstelling niet hoger kan zijn dan de waarde van de woondelen zoals opgenomen in de WOZ-waarde.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de heffingsmaatstaf voor de OZB-gebruiker moet worden vastgesteld op basis van de WOZ-waarde minus de waarde van de woondelen zoals vastgesteld in de WOZ-beschikking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02917
Datum26 november 2021
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING OOST-BRABANT
tegen
[X1] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2020, nr. 19/00683 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 18/128) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [...] voor het jaar 2017 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] .

1.Geding in cassatie

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (hierna: het Bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 4 augustus 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Het Bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende is mede-eigenaar en mede-gebruiker van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] , bestaande uit een woning, drie varkensstallen met bijbehorende mestkelders, een werktuigenberging, een buitenbak/buitenmanege, erfverharding en grond. Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 onder meer een aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd als gebruiker (hierna: OZB-gebruiker) (artikel 220, letter b, Gemeentewet).
2.2
Bij het opleggen van de aanslag OZB-gebruiker is uitgegaan van een waarde van de onroerende zaak als bedoeld in artikel 17 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) per 1 januari 2016 (hierna: de peildatum) van € 531.000. De aanslag OZB-gebruiker is vastgesteld naar een heffingsmaatstaf van € 224.000.
2.3
In de procedure bij de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar een rapport, gedateerd 25 maart 2019, overgelegd waarin de waarde van de onroerende zaak per de peildatum is getaxeerd op € 573.000, waarvan € 324.000 voor de waarde van de woning en € 249.000 voor de waarde van de niet tot woning dienende delen.

3.Procedure voor het Hof

3.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de aanslag OZB-gebruiker te hoog was.
3.2
Het Hof heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1040 (hierna: het arrest van 3 juni 2016), geoordeeld dat de grondslag voor de gebruikersbelasting moet worden vastgesteld op € 531.000 (de vastgestelde WOZ-waarde) min € 324.000 (de in 2.3 vermelde waarde van de woondelen) of € 207.000. Daartoe heeft het Hof overwogen dat uit artikel 220c Gemeentewet volgt dat de heffingsmaatstaf voor de OZB-gebruiker de vastgestelde WOZ-waarde van de gehele onroerende zaak verminderd met de waarde van de woondelen is, en dat die waarde van de woondelen moet worden vastgesteld op € 324.000 omdat belanghebbende zich aan die waarde heeft geconformeerd. Het Hof heeft daarom de aanslag OZB-gebruiker verminderd tot een naar een heffingsmaatstaf van € 207.000.

4.Beoordeling van de klacht

4.1
Het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof wordt in cassatie bestreden met de klacht dat het Hof voor het bepalen van de heffingsmaatstaf voor de OZB-gebruiker ten onrechte is uitgegaan van de in het rapport van 25 maart 2019 genoemde waarde van de woondelen.
4.2
Uit de artikelen 220 en 220c Gemeentewet volgt dat bij de heffing van de OZB-gebruiker de in de WOZ-beschikking vastgestelde waarde leidend is. Dat brengt mee dat de gebruikersbelasting moet worden geheven naar het aan de niet-woondelen toerekenbare deel van de WOZ-waarde van de onroerende zaak. Daardoor kan de in artikel 220e Gemeentewet voorziene woondelenvrijstelling niet hoger zijn dan de waarde van de woondelen die is begrepen in die WOZ-waarde. Dit heeft het Hof miskend. In het door het Hof aangehaalde arrest van 3 juni 2016 kan niet iets anders worden gelezen, omdat in het daar behandelde geval de hoogte van de woondelenvrijstelling niet in geschil was.
4.3
De klacht slaagt. Voor dat geval is tussen partijen kennelijk niet in geschil dat de uitspraak van de Rechtbank juist is. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2021.