ECLI:NL:HR:2021:1667
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt juiste heffingsmaatstaf voor OZB-gebruiker na woondelenvrijstelling
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant legde aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op voor het jaar 2017, gebaseerd op een WOZ-waarde van €531.000 en een heffingsmaatstaf van €224.000. Belanghebbende betwistte de hoogte van de aanslag.
Het hof oordeelde dat de heffingsmaatstaf moest worden vastgesteld door de WOZ-waarde te verminderen met de waarde van de woondelen, vastgesteld op €324.000 volgens een taxatierapport, en stelde de heffingsmaatstaf vast op €207.000. Dit oordeel werd aangevochten in cassatie door het bestuur.
De Hoge Raad overwoog dat de heffingsmaatstaf voor de OZB-gebruiker moet worden gebaseerd op de WOZ-waarde zoals vastgesteld in de WOZ-beschikking, verminderd met de waarde van de woondelen die in die WOZ-waarde zijn begrepen. Het hof had ten onrechte de waarde van de woondelen uit een later taxatierapport gebruikt in plaats van de WOZ-waarde. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie toe en veroordeelde partijen niet in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de woondelenvrijstelling niet hoger kan zijn dan de waarde van de woondelen zoals opgenomen in de WOZ-waarde.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de heffingsmaatstaf voor de OZB-gebruiker moet worden vastgesteld op basis van de WOZ-waarde minus de waarde van de woondelen zoals vastgesteld in de WOZ-beschikking.