Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
16 november 2021.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een verzoek om geldelijke tegemoetkoming door klaagster, eigenaar van een auto die in een strafzaak aan het verkeer werd onttrokken omdat deze was voorzien van gestolen onderdelen. Het hof wees het verzoek af omdat klaagster op de hoogte zou zijn geweest van de herkomst van de onderdelen en niet als een willekeurige klant werd gezien.
De Hoge Raad herhaalt de relevante criteria uit eerdere jurisprudentie, waaronder HR:2018:1156, dat een geldelijke tegemoetkoming toegekend moet worden indien de eigenaar door onttrekking onevenredig wordt getroffen. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van de omstandigheden van het geval, zoals de gedragingen van de eigenaar, de waarde van het voorwerp en het eventuele voordeel voor de Staat.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom klaagster niet onevenredig is getroffen. De enkele omstandigheid dat de reparatie met gestolen onderdelen door haar partner is uitgevoerd en haar kennis daarvan is onvoldoende om afwijzing te rechtvaardigen, mede gezien het aankoopbedrag en het ontbreken van een waardebepaling in relatie tot de reparaties.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest en wijst de zaak terug aan het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van het verzoek om geldelijke tegemoetkoming. De overige klachten worden ongegrond verklaard zonder nadere motivering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van het verzoek om geldelijke tegemoetkoming.