Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 november 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van poging tot doodslag door in 2019 in Breda een ander, die bij een bushok op de grond lag, meermalen tegen het hoofd te trappen. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte eerder veroordeeld.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in ter onderbouwing van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid om advies uit te brengen, maar gaf geen schriftelijk standpunt.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 16 november 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO.