ECLI:NL:HR:2021:1727

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
21/00445
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 2.3.1 Procesreglement Hoge Raad
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende heeft een beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 23 juni 2021 via het digitale dossier en per e-mail in de gelegenheid gesteld om het verzuim binnen zes weken te herstellen. Belanghebbende diende de gronden wel per post in, maar niet via het digitale webportaal, wat verplicht is bij digitale procedurevoering.

Ondanks een tweede herinnering op 19 juli 2021 om de gronden alsnog digitaal in te dienen vóór 4 augustus 2021, heeft belanghebbende hier geen gevolg aan gegeven. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb Pro.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 19 november 2021 in het openbaar gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet digitaal indienen van de gronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00445
Datum19 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2021, nr. 20/00162 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 23 juni 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 4 augustus 2021. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitaal dossier van belanghebbende is eveneens op 23 juni 2021 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Belanghebbende heeft op 25 juni 2021 per post de gronden van het beroep ingediend. Omdat belanghebbende digitaal procedeert en hij daarom alle proceshandelingen in het webportaal van de Hoge Raad dient te verrichten [2] , heeft de griffier van de Hoge Raad op 19 juli 2021 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dit stuk alsnog digitaal in te dienen, uiterlijk op 4 augustus 2021. Belanghebbende heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en het hiervoor bedoelde verzuim niet hersteld. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2021.

Voetnoten

2.Artikel 2.3.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad.