ECLI:NL:HR:2021:1737

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2021
Publicatiedatum
19 november 2021
Zaaknummer
21/02061
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over navorderingsaanslag en boetebeschikking inkomstenbelasting

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2012, de aanslag over 2013, de boetebeschikking over 2012 en de beschikkingen inzake belastingrente over 2012 en 2013 had behandeld.

De Hoge Raad heeft het ingediende middel beoordeeld en geoordeeld dat dit niet tot vernietiging van het hofarrest kan leiden. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Er is geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het beroep in cassatie is derhalve ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.

Deze uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de belastingaanslagen, boetebeschikking en rentebeschikkingen zoals door het hof vastgesteld, waarmee de fiscale aanspraken van de Staatssecretaris van Financiën zijn bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/02061
Datum19 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 maart 2021, nrs. BK-20/00697 en BK-20/00701 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/4206 en SGR 19/4208) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de voor het jaar 2012 gegeven boetebeschikking en de voor de jaren 2012 en 2013 gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.R. Autar, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat dit middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.F.M.Q. Beukers-van Dooren als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2021.