Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 december 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen. In cassatie stelde de verdachte dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden vanwege late verzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het oordeel van het hof niet tot vernietiging konden leiden, maar stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op acht maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een tijdige behandeling van strafzaken en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn voor de strafoplegging.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot acht maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.