ECLI:NL:HR:2021:1754

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
19/00590
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen gewoontewitwassen

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen. In cassatie stelde de verdachte dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden vanwege late verzending van stukken door het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het oordeel van het hof niet tot vernietiging konden leiden, maar stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op acht maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een tijdige behandeling van strafzaken en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn voor de strafoplegging.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot acht maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00590
Datum14 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2019, nummer 22/003582-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 december 2021.