Uitspraak
gevestigd te Den Haag,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
5 februari 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of Aegon Levensverzekering terecht een beroep deed op schending van de mededelingsplicht door de verzekeringnemer [betrokkene 1], die sinds maart 2006 vermist was en in 2011 werd gevonden overleden. Aegon had de kennisgeving van niet-nakoming van de mededelingsplicht gericht aan de curator van de failliete praktijkvennootschap van [betrokkene 1], niet aan de verzekeringnemer zelf.
De rechtbank wees het beroep van Aegon toe, maar het hof vernietigde dat vonnis en oordeelde dat de kennisgeving conform art. 7:929 lid 1 BW Pro aan de verzekeringnemer zelf of diens rechtsopvolgers had moeten worden gedaan. De brief aan de curator voldeed niet aan deze vereiste, ook niet omdat de curator de brief aan de echtgenote zou hebben doorgegeven.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de kennisgeving schriftelijk en tijdig aan de verzekeringnemer of diens rechtsopvolgers moet worden gedaan, ook bij vermissing of overlijden. De verzekeraar draagt de bewijslast dat aan deze kennisgevingsplicht is voldaan. Het beroep van Aegon faalde daarom en de kosten werden aan haar opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van Aegon op vernietiging van de verzekeringsovereenkomst wegens niet-nakoming van de mededelingsplicht wordt verworpen omdat de kennisgeving niet aan de verzekeringnemer of diens rechtsopvolgers is gedaan.