Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
30 november 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het rijden onder invloed van cocaïne en alcohol op 2 september 2017 in 's-Hertogenbosch. Het hof verklaarde bewezen dat het bloedonderzoek een gehalte van 96 microgram cocaïne per liter bloed en 1,49 milligram ethanol per milliliter bloed aantoonde, boven de wettelijke grenswaarden. De verdediging stelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was vanwege procedurele tekortkomingen bij de kennisgeving van de bloedonderzoekresultaten en het recht op tegenonderzoek.
De Hoge Raad onderzocht de brief van 9 oktober 2017 waarin de politie de verdachte informeerde over de bloedonderzoekuitslag. De brief vermeldde de aanwezigheid van cocaïne en alcohol, maar wees niet expliciet op het recht op tegenonderzoek van de cocaïne, noch op de noodzaak dat de verdachte het tegenonderzoek zelf bij een laboratorium moet aanvragen en de betaling binnen twee weken moet voldoen. Ook ontbrak het sporenidentificatienummer, wat strijdig is met artikel 17 van Pro het Besluit.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat met deze brief aan de wettelijke vereisten was voldaan. De waarborgen voor een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994 zijn niet nageleefd. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende naleving van kennisgeving en recht op tegenonderzoek.