ECLI:NL:HR:2021:1823

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2021
Publicatiedatum
3 december 2021
Zaaknummer
21/01845
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 151 SrArt. 80a RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard in zaak medeplegen doodslag en wegmaken lijk

In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van doodslag en medeplegen van het wegmaken van een lijk. Het incident vond plaats in 2018 in ’s-Hertogenbosch, waarbij het slachtoffer met een houten paal meerdere keren tegen het hoofd werd geslagen en het levenloze lichaam vervolgens in het water werd gedumpt.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 15 april 2021 uitspraak gedaan in deze strafzaak. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat van verdachte diende een schriftuur in ter onderbouwing van het beroep.

De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en heeft de procureur-generaal de gelegenheid gegeven een advies uit te brengen. Gezien de aard van de klachten en het ontbreken van een schriftelijk standpunt van de advocaat-generaal, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen.

Daarom is op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken op 7 december 2021 door de vice-president J. de Hullu en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het hofarrest ongewijzigd blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01845
Datum7 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 april 2021, nummer 20-001762-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft O.J. Much, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 december 2021.