Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
7 december 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 7 december 2021 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juni 2018 in een zaak betreffende beleggingsfraude, medeplichtigheid aan oplichting en medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
In cassatie werd geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad zelf ook pas na meer dan twee jaar uitspraak deed. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en oordeelde dat dit een vermindering van de straf rechtvaardigt.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf tot elf maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige klachten werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de rechtsontwikkeling.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de waarnemend griffier aanwezig was.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn.