Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 december 2021.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de betrokkene cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was opgelegd.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met een voorstel tot vermindering naar een gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet tot vernietiging konden leiden, behalve voor het onderdeel van de betalingsverplichting.
Een belangrijk onderdeel van de beoordeling betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn was overschreden.
Op grond hiervan vernietigde de Hoge Raad het hofuitspraak uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verminderde deze van €82.239 naar €77.239. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €77.239 wegens overschrijding van de redelijke termijn.