In deze zaak heeft de Hoge Raad zich gebogen over twee cassatieberoepen in het kader van een beschikking van de rechtbank Gelderland betreffende een vordering op grond van artikel 552p lid 2 Wetboek van Strafvordering, gerelateerd aan digitaal beslag en een afgeleid verschoningsrecht.
Klager 2 heeft geen cassatiemiddelen ingediend, waardoor zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Klager 1 heeft wel cassatiemiddelen ingediend, maar deze schriftuur is niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn ingediend. Dit leidde ertoe dat de Hoge Raad het beroep van klager 1 niet in behandeling kon nemen.
De Hoge Raad heeft de klachten van klager 1 wel beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank kunnen leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot verdere motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De beschikking is uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de strafkamer tijdens een openbare terechtzitting op 7 december 2021.