De zaak betreft een geschil tussen Stichting ADP en Stichting Chuminisan over de vraag of Chuminisan verplicht is om aan ADP, als rechtsopvolger van een schenker, rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde vermogensbeheer.
Chuminisan is een goede-doelenstichting die sinds haar oprichting in 1983 door [betrokkene 1] is begiftigd met aanzienlijke schenkingen. ADP, als enige erfgenaam van [betrokkene 1], verzocht inzage in het vermogen en het gevoerde beleid van Chuminisan, wat werd geweigerd. ADP vorderde vervolgens dat Chuminisan verplicht werd tot het afleggen van rekening en verantwoording.
De voorzieningenrechter wees de vordering toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af. Het hof oordeelde dat het geschonken bedrag toebehoort aan Chuminisan en dat er geen aanwijzingen zijn dat de schenking onder voorwaarden is gedaan die een verantwoording verplichten. Ook de nauwe betrokkenheid van [betrokkene 1] bij Chuminisan rechtvaardigt dit niet.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en stelt dat een verplichting tot rekening en verantwoording slechts kan bestaan indien een rechtsverhouding daartoe verplicht, bijvoorbeeld op grond van wet, rechtshandeling of ongeschreven recht. De omstandigheden in deze zaak zijn onvoldoende om een dergelijke rechtsverhouding aan te nemen. Het incidentele cassatieberoep wordt niet behandeld omdat het principale beroep faalt.