ECLI:NL:HR:2021:1910

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
16 december 2021
Zaaknummer
19/01853
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 326a SrArt. 36f SrArt. 81 Wet ROArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel en vermindering gevangenisstraf in zaak flessentrekkerij

De Hoge Raad heeft op 21 december 2021 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam uit 2019, waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van flessentrekkerij via plof-bv’s. Het hof had onder meer schadevergoedingsmaatregelen opgelegd met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

De Hoge Raad vernietigt het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis is toegepast bij de schadevergoedingsmaatregelen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie die stelt dat gijzeling kan worden toegepast in plaats van vervangende hechtenis, met een wettelijk maximum van 360 dagen. Voor de vijf hoogste schadevergoedingsbedragen wordt telkens één dag in mindering gebracht op het aantal dagen gijzeling.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, wat leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met vier jaar en vijf maanden. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. Hiermee wordt de straf aangepast en de toepassing van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen verduidelijkt.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deel hofuitspraak over vervangende hechtenis, stelt maximale gijzeling op 360 dagen en vermindert gevangenisstraf met ruim vier jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01853
Datum21 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2019, nummer 23-004613-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het cassatiemiddel is schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot onderscheidenlijk vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro in die zin dat gijzeling van in totaal 360 dagen wordt toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest van het hof genoemde slachtoffers de in dat arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in dat arrest telkens genoemde aantal (in totaal 365) dagen hechtenis.
3.1.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. De Hoge Raad zal zelf bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen gijzeling kan worden toegepast voor de duur van het wettelijk bepaalde maximum van een jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812). Daartoe zal de Hoge Raad ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen die voor de vijf hoogste bedragen zijn opgelegd telkens een dag in mindering brengen op het door het hof vastgestelde aantal dagen.
3.2
Verder doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren en tien maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de na te noemen slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast:
Slachtoffer
Dagen gijzeling
[A] B.V.
10
[B] B.V.
3
[C] B.V.
1
[D] B.V.
8
[E] B.V.
6
[F] B.V.
2
[G] B.V.
6
[H] B.V.
6
[I] B.V.
5
[J] B.V.
7
[K] B.V.
9
[L] B.V.
11
[M] B.V.
4
[N] C.V.
17
[O] B.V.
8
[P] B.V.
12
[Q]
6
[R] B.V.
8
[S] B.V.
10
[T]
11
[U]
2
[V]
3
[W] B.V.
6
[X] B.V.
41
[Y] B.V.
6
[Z] B.V.
7
[AA] B.V.
2
[AB] N.V.
2
[AC] B.V.
3
[AD] B.V.
6
[AE] B.V.
57
[AF] B.V.
33
[AG] B.V.
4
[AH]
7
[AI]
10
[AJ] B.V.
8
[AK] B.V.
3
[AL]
10
- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vier jaren en vijf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 december 2021.