Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak over mishandeling heeft de benadeelde partij in eerste aanleg een schadevergoeding gevorderd, waaronder materiële en immateriële schade. De politierechter verklaarde de vordering niet-ontvankelijk wegens onevenredige belasting van het strafgeding. In hoger beroep voegde de benadeelde partij zich opnieuw met een aangepaste vordering, waarin voor het eerst medische kosten als materiële schade werden opgevoerd.
Het hof wees deze medische kosten toe, maar de verdachte stelde cassatie in. De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 421 lid 3 Sv Pro de benadeelde partij in hoger beroep niet nieuwe schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn genoemd, noch het bedrag van de oorspronkelijke vordering mag verhogen. Het hof had ten onrechte de medische kosten die voor het eerst in hoger beroep waren gevorderd toegewezen.
Desalniettemin blijft de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde feit en bedrag aan de verdachte is opgelegd in stand, omdat de verdachte geen belang heeft bij de klacht over de materiële verschuldigdheid van de schade. De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep en bevestigt de verplichting van de verdachte tot betaling van de schadevergoedingsmaatregel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de toewijzing van medische kosten in hoger beroep maar verwerpt het cassatieberoep; de schadevergoedingsmaatregel blijft van kracht.