ECLI:NL:HR:2021:1932

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
17 december 2021
Zaaknummer
20/03683
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 421 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over toewijzing schadevergoeding medische kosten in hoger beroep bij mishandeling

In deze strafzaak over mishandeling heeft de benadeelde partij in eerste aanleg een schadevergoeding gevorderd, waaronder materiële en immateriële schade. De politierechter verklaarde de vordering niet-ontvankelijk wegens onevenredige belasting van het strafgeding. In hoger beroep voegde de benadeelde partij zich opnieuw met een aangepaste vordering, waarin voor het eerst medische kosten als materiële schade werden opgevoerd.

Het hof wees deze medische kosten toe, maar de verdachte stelde cassatie in. De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 421 lid 3 Sv Pro de benadeelde partij in hoger beroep niet nieuwe schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn genoemd, noch het bedrag van de oorspronkelijke vordering mag verhogen. Het hof had ten onrechte de medische kosten die voor het eerst in hoger beroep waren gevorderd toegewezen.

Desalniettemin blijft de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde feit en bedrag aan de verdachte is opgelegd in stand, omdat de verdachte geen belang heeft bij de klacht over de materiële verschuldigdheid van de schade. De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep en bevestigt de verplichting van de verdachte tot betaling van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de toewijzing van medische kosten in hoger beroep maar verwerpt het cassatieberoep; de schadevergoedingsmaatregel blijft van kracht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03683
Datum21 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2020, nummer 23-000771-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft M.M. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor zover daarbij de vordering tot betaling van een bedrag van € 1.005,00 ter zake van materiële schade is toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel, tot vermindering daarvan met een bedrag van € 1.005,00, met bepaling van de duur van de gijzeling op vijf dagen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde materiële schade heeft toegewezen met betrekking tot een schadepost die door de benadeelde partij voor het eerst in hoger beroep is gevorderd.
2.2.1
Uit de stukken blijkt dat [benadeelde] zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd met een vordering strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.308,67, waarvan € 1.173,82 voor materiële schade en € 8.134,85 voor immateriële schade. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, met een aangepaste vordering strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.250, waarvan € 2.250 voor materiële schade en € 5.000 voor immateriële schade. De betreffende ‘Toelichting vordering benadeelde partij’ bevat onder meer een in eerste aanleg nog niet opgevoerde schadepost van € 1.005 voor ‘medische kosten’.
2.2.2
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.505, bestaande uit € 1.005 wegens materiële schade ter zake van de in 2.2.1 bedoelde ‘medische kosten’ en € 500 wegens immateriële schade, en de verdachte veroordeeld dit bedrag te betalen aan de benadeelde partij. Verder heeft het hof de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer van een bedrag van € 1.505 en de duur van de gijzeling bepaald op ten hoogste 25 dagen.
2.3
Op grond van artikel 421 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945). Het oordeel van het hof dat de door de benadeelde partij [benadeelde] voor het eerst in hoger beroep gevorderde ‘medische kosten’ voor toewijzing in aanmerking komen, is daarom onjuist.
2.4
Het cassatiemiddel - waarin niet wordt geklaagd over de schadevergoedingsmaatregel die ter zake van hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag is opgelegd als de (gedeeltelijk) toegewezen vordering van de benadeelde partij - is terecht voorgesteld. Een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor wat betreft de gevorderde materiële schade laat echter de verplichting voor de verdachte tot betaling van de voor hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel in stand, nu de klacht zich niet keert tegen de materiële verschuldigdheid van de schade (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, rechtsoverweging 2.3.2 en 2.3.3). Daarom heeft de verdachte onvoldoende belang bij de klacht over de beslissing van het hof met betrekking tot de door de benadeelde partij [benadeelde] voor het eerst in hoger beroep gevorderde medische kosten. Het cassatiemiddel kan om die reden niet tot cassatie leiden.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de benadeelde partij [benadeelde] zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 december 2021.