Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, die werd veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt.
De betrokkene stelde cassatiemiddelen in tegen de uitspraak, waarbij onder meer werd geklaagd over de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de matigingsbevoegdheid van artikel 36e lid 5 Sr en over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoud van de uitspraak niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze nader te motiveren. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden en de Hoge Raad zelf pas na meer dan twee jaar uitspraak deed.
Dit leidde tot vernietiging van het gedeelte van het hofsoordeel over de hoogte van de betalingsverplichting en tot vermindering van het bedrag van €156.193 naar €151.193. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €156.193 naar €151.193 wegens overschrijding van de redelijke termijn.