Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beoordeling van het cassatiemiddel
4.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor onder meer belaging, bedreiging, misbruik van het alarmnummer en belediging van een ambtenaar. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in, hoewel dit na de wettelijke termijn van veertien dagen gebeurde. De advocaat-generaal concludeerde aanvankelijk tot niet-ontvankelijkheid, maar na inbreng van medische gegevens die de termijnoverschrijding verontschuldigden, werd het beroep ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep geen mondelinge bezwaren had ingediend zoals bedoeld in artikel 416 lid 2 Sv Pro. Uit de verklaring van de verdachte bleek dat zij een breder beeld van de feiten wilde schetsen dan uit het dossier naar voren kwam, hetgeen het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwde.
Verder verduidelijkte de Hoge Raad dat het niet-ontvankelijk verklaren van een verdachte op grond van artikel 416 lid 2 Sv Pro achterwege moet blijven indien bezwaren tijdens de terechtzitting zijn geuit, ook als het onderzoek op een latere zitting wordt voortgezet. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.