Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam,
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 december 2021.
Hoge Raad
In deze zaak staat de bepaling van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige centraal, waarbij de minderjarige tijdens een uithuisplaatsing bij de andere ouder verblijft. De moeder heeft tegen de beschikking van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De zaak betreft de toepassing van artikel 1:253a BW en artikel 81 lid 1 RO Pro.
De moeder vordert nader onderzoek naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, maar dit verzoek wordt door de Hoge Raad afgewezen vanwege het belang van de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond zijn belanghebbenden in de procedure, maar hebben geen verweerschrift ingediend.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag en oordeelt dat de klachten van de moeder niet leiden tot vernietiging van het hofbesluit. De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet nader, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De beschikking is gegeven door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Wattendorff. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofbesluit wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het hofbesluit over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige blijft in stand.