ECLI:NL:HR:2021:1958

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
21/00978
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot nader onderzoek hoofdverblijfplaats minderjarige tijdens uithuisplaatsing afgewezen

In deze zaak staat de bepaling van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige centraal, waarbij de minderjarige tijdens een uithuisplaatsing bij de andere ouder verblijft. De moeder heeft tegen de beschikking van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De zaak betreft de toepassing van artikel 1:253a BW en artikel 81 lid 1 RO Pro.

De moeder vordert nader onderzoek naar de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, maar dit verzoek wordt door de Hoge Raad afgewezen vanwege het belang van de minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond zijn belanghebbenden in de procedure, maar hebben geen verweerschrift ingediend.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag en oordeelt dat de klachten van de moeder niet leiden tot vernietiging van het hofbesluit. De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet nader, omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De beschikking is gegeven door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Wattendorff. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofbesluit wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het hofbesluit over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/00978
Datum24 december 2021
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: A.H. Vermeulen,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de vader,
advocaat: D. Rijpma.
Belanghebbenden:
1. JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM RIJNMOND,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de GI,
niet verschenen,
2. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ROTTERDAM-DORDRECHT,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de raad,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak C10/591415 FS RK 20-944 van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2020;
de beschikking in de zaak 200.280.441/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 december 2020.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De GI en de raad hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
24 december 2021.