De huurder had bedrijfsruimte gehuurd waarin zij een galerie dreef. Na een kortgedingvonnis tot ontruiming wegens betalingsachterstand vervingen de verhuurders op 21 november 2011 de sloten van het gehuurde, voordat het vonnis aan de huurder was betekend op 28 november 2011. Hierdoor kon de huurder het gehuurde niet meer betreden. De huurder vorderde een schadevergoeding van € 25.478,52, gelijk aan twaalfmaal de maandhuur, omdat de verhuurders volgens haar toerekenbaar tekort waren geschoten in hun verplichting tot het verschaffen van huurgenot over de periode van 21 november 2011 tot 30 november 2012, terwijl zij toch huurpenningen hadden geïnd.
De kantonrechter wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof stelde vast dat de verhuurders inderdaad eigenrichting hadden gepleegd door de sloten te vervangen vóór de betekening van het vonnis, waardoor de huurder het gehuurde niet kon betreden. Echter, het hof oordeelde dat de huurder onvoldoende had gesteld en onderbouwd dat zij door deze eigenrichting schade had geleden, mede omdat zij op dat moment geen bedrijfsactiviteiten meer in het gehuurde verrichtte. Bovendien was vanaf de dag dat het vonnis betekend werd (6 december 2011) het ontzeggen van het gebruik gerechtvaardigd.
De Hoge Raad overwoog dat hoewel de verhuurders toerekenbaar tekort waren geschoten in de periode van 21 november tot 6 december 2011, dit niet automatisch betekent dat de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is. De huurder moest aannemelijk maken dat zij daadwerkelijk schade had geleden door het gemis aan huurgenot, hetgeen onvoldoende was gebeurd. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de huurder werd veroordeeld in de proceskosten.