ECLI:NL:HR:2021:1991

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
21/03328
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:41, lid 6, Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Hij deed een beroep op betalingsonmacht om af te zien van het griffierecht. De griffier van de Hoge Raad concludeerde op basis van de verstrekte gegevens dat niet aan de criteria voor betalingsonmacht werd voldaan en dat het griffierecht daarom moest worden betaald.

Belanghebbende werd per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en kreeg een termijn van vier weken om te betalen. Deze brief werd door belanghebbende afgehaald, maar betaling bleef uit. Vervolgens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te reageren op het niet betalen, maar hij maakte geen gebruik van deze mogelijkheid.

De Hoge Raad oordeelde dat geen reden bestond om aan te nemen dat belanghebbende niet in verzuim was met de betaling. Het beroep in cassatie werd daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/03328
Datum24 december 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak op het verzet van de Rechtbank Den Haag van 9 juli 2021, nrs. SGR 20/7290 V, SGR 20/7292 V en SGR 20/7294 V.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft op 21 september 2021 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij is meegedeeld dat aan de hand van de door haar verstrekte gegevens kan worden geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de criteria voor betalingsonmacht en dat daarom niet kan worden afgezien van het heffen van griffierecht. Tevens is daarin meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 28 september 2021 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 27 oktober 2021 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitaal dossier van belanghebbende is eveneens op 27 oktober 2021 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven emailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 27 oktober 2021. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De Hoge Raad is van oordeel dat geen grond aanwezig is voor het oordeel dat belanghebbende met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is. In het bijzonder kan niet aan de hand van de in cassatie overgelegde gegevens worden geconcludeerd dat heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor belanghebbende onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om beroep in cassatie in te stellen. [1]
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb nietontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2021.