ECLI:NL:HR:2021:200

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2021
Publicatiedatum
8 februari 2021
Zaaknummer
20/03357
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 Wegenverkeerswet 1994Art. 447 lid 3 Wetboek van StrafvorderingArt. 2 Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oordeel over rechtsgeldigheid aanzegging binnenkomst stukken in cassatieprocedure

In deze rolbeslissing van de Hoge Raad wordt geoordeeld over de rechtsgeldigheid van de aanzegging van de binnenkomst van stukken in een cassatieprocedure tegen een beschikking op een klaagschrift ex artikel 164 Wegenverkeerswet Pro 1994. De klager, een gedetineerde, had bezwaar gemaakt tegen de wijze van aanzegging, die via interne post binnen de penitentiaire inrichting aan hem was verzonden en niet persoonlijk was uitgereikt.

De advocaat-generaal concludeerde dat de aanzegging niet rechtsgeldig was verricht, omdat verzending via interne post niet gelijkgesteld kan worden aan persoonlijke uitreiking en ook niet als een andere wettelijk toegestane betekening kan worden beschouwd. Het formulier dat werd gebruikt om de ontvangst te bevestigen gaf aan dat de uitreiking niet persoonlijk had plaatsgevonden, wat de rechtsgeldigheid ondermijnt.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en beslist dat de zaak van de rol wordt gevoerd, zodat de procureur-generaal een nieuwe aanzegging kan doen uitgaan conform artikel 447 lid 3 Wetboek Pro van Strafvordering. Hiermee wordt het belang van correcte betekening in cassatieprocedures benadrukt, zeker bij gedetineerden.

De beslissing is uitgesproken door raadsheer Van de Griend op 9 februari 2021, waarbij tevens het belang van de juiste procedurele waarborgen bij aanzeggingen in cassatie wordt bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanzegging niet rechtsgeldig en voert de zaak van de rol voor een nieuwe aanzegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03357 B
Datum9 februari 2021
ROLBESLISSING
naar aanleiding van het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 oktober 2020, nummer RK 20-006842, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de zaak van de rol zal worden gevoerd, opdat de procureur-generaal bij de Hoge Raad een nieuwe aanzegging van de binnenkomst van de stukken als bedoeld in artikel 447 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) doet uitgaan.
2. Beoordeling van de geldigheid van de uitreiking van de aanzegging als bedoeld in artikel 447 lid 3 Sv Pro
De uitreiking van de aanzegging als bedoeld in het hier toepasselijke artikel 447 lid 3 Sv Pro heeft niet op rechtsgeldige wijze plaatsgevonden. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 tot en met 15. Dit leidt ertoe dat de onderhavige zaak van de rol moet worden gevoerd opdat de procureur-generaal bij de Hoge Raad een nieuwe aanzegging voor de behandeling van het cassatieberoep doet uitgaan.

3.Beslissing

De Hoge Raad voert de zaak van de rol.
Deze rolbeslissing is gegeven door de raadsheer E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 februari 2021.