Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 februari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het kraken van een gebouw, strafbaar gesteld in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder de vraag of het begrip 'right to home' onder artikel 8 EVRM Pro van toepassing is en een verweer dat sprake zou zijn geweest van een strafrechtelijke ontruiming.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet leiden tot vernietiging van het arrest. Er was geen noodzaak om diepgaand op de rechtsvragen in te gaan omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel erkende de Hoge Raad dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden.
Ondanks deze overschrijding werd geoordeeld dat gezien de relatief lichte straf van een taakstraf van acht uur, subsidiair vier dagen hechtenis, geen ander rechtsgevolg aan de overschrijding verbonden hoeft te worden. Het beroep werd daarom verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren Buruma en van Strien, en de waarnemend griffier Broekhuizen-Meuter, tijdens een openbare terechtzitting op 16 februari 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor kraken blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.