ECLI:NL:HR:2021:203

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
19/01813
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138a SrArt. 8 EVRMArt. 551a SvArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor kraken en behandelt redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor het kraken van een gebouw, strafbaar gesteld in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder de vraag of het begrip 'right to home' onder artikel 8 EVRM Pro van toepassing is en een verweer dat sprake zou zijn geweest van een strafrechtelijke ontruiming.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet leiden tot vernietiging van het arrest. Er was geen noodzaak om diepgaand op de rechtsvragen in te gaan omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel erkende de Hoge Raad dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden.

Ondanks deze overschrijding werd geoordeeld dat gezien de relatief lichte straf van een taakstraf van acht uur, subsidiair vier dagen hechtenis, geen ander rechtsgevolg aan de overschrijding verbonden hoeft te worden. Het beroep werd daarom verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren Buruma en van Strien, en de waarnemend griffier Broekhuizen-Meuter, tijdens een openbare terechtzitting op 16 februari 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor kraken blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01813
Datum16 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 maart 2019, nummer 22-001934-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. van Lunen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde taakstraf van acht uren, subsidiair vier dagen hechtenis is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 februari 2021.