ECLI:NL:HR:2021:206
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in zaak WWB herzieningsverzoek
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland over een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie en stelt vast dat op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechtelijke organisatie alleen kennis kan worden genomen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken voor zover dit bij wet is bepaald. In deze zaak ontbreekt een wettelijke bepaling die cassatie openstelt tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep die betrekking hebben op een verzoek om herziening van een uitspraak van de Rechtbank over artikel 32, lid 1, van de WWB.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende wordt teruggegeven.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2021.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke basis voor cassatie.