ECLI:NL:HR:2021:208

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2021
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
20/03214
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen uitspraak bestuursrechter niet-ontvankelijk

Belanghebbende, woonachtig in de Verenigde Staten, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag op verzet tegen een uitspraak op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en stelde vast dat artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt dat de Hoge Raad alleen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter indien dit bij wet is bepaald.

In dit geval ontbreekt een wettelijke bepaling die cassatie openstelt tegen de bestreden uitspraak van de Rechtbank Den Haag, ook niet wanneer een onjuiste rechtsmiddelverwijzing is opgenomen bij toezending van de uitspraak.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 12 februari 2021 door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke grondslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03214
Datum12 februari 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Verenigde Staten van Amerika (hierna: belanghebbende)
tegen
de MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 2 september 2020, nr. SGR 19/7662 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 mei 2020.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag als de onderhavige, die is gedaan op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro gedane uitspraak. Dit heeft evenzeer te gelden indien in de brief bij toezending van de aangevallen uitspraak van de Rechtbank ten onrechte een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen. Het beroep in cassatie dient daarom niet–ontvankelijk te worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2021.