ECLI:NL:HR:2021:208
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen uitspraak bestuursrechter niet-ontvankelijk
Belanghebbende, woonachtig in de Verenigde Staten, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag op verzet tegen een uitspraak op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en stelde vast dat artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt dat de Hoge Raad alleen kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter indien dit bij wet is bepaald.
In dit geval ontbreekt een wettelijke bepaling die cassatie openstelt tegen de bestreden uitspraak van de Rechtbank Den Haag, ook niet wanneer een onjuiste rechtsmiddelverwijzing is opgenomen bij toezending van de uitspraak.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 12 februari 2021 door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke grondslag.