ECLI:NL:HR:2021:220

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2021
Publicatiedatum
11 februari 2021
Zaaknummer
19/05660
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 7:218 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid huurder voor brandschade aan gehuurde bedrijfshal

In deze zaak stond de vraag centraal wie aansprakelijk is voor brandschade aan een gehuurde bedrijfshal: de huurder of de verhuurder. Eiseres, de huurder, stelde het hof aansprakelijk te zijn voor de schade, maar het hof wees dit af en hield de huurder aansprakelijk.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiseres beoordeeld en de klachten tegen het arrest van het hof verworpen. De Hoge Raad vond dat het niet nodig was om de motivering van het hof te toetsen, omdat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en de zaak geen vragen voor de eenheid of ontwikkeling van het recht oproept.

De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat op grond van de toepasselijke bepalingen in het huurrecht (artikelen 7:213 en 7:218 BW) de huurder aansprakelijk is voor de brandschade. Tevens veroordeelde de Hoge Raad eiseres tot betaling van de proceskosten.

Deze uitspraak onderstreept de verantwoordelijkheid van huurders voor schade aan gehuurde zaken en bevestigt de geldende rechtspraak over aansprakelijkheid in het huurrecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd waarbij de huurder aansprakelijk wordt gehouden voor de brandschade.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/05660
Datum12 februari 2021
ARREST
In de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaat: aanvankelijk A.C. van Schaick en N.E. Groeneveld-Tijssens,
thans A.C. van Schaick,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaat: T. van Malssen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 5286164 CV EXPL 16-6142 van de kantonrechter te Tilburg van 23 augustus 2017;
het arrest in de zaak 200.231.569/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2019.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 6.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
12 februari 2021.