Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
16 februari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak over voorbereiding van een terroristisch misdrijf, het verschaffen van inlichtingen met terroristisch oogmerk, het bezit van een automatisch vuurwapen en illegaal vuurwerk.
De verdachte werd eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren. In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder een motiveringsklacht en een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat de motiveringsklacht niet leidt tot vernietiging, maar stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de uitspraak plaatsvindt na meer dan zestien maanden cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zit.
Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht jaren naar zeven jaren en zeven maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeven jaren en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.