Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door een rechtspersoon, medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van oplichting.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingediend. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen over de ontvankelijkheid van het beroep.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat het beroep duidelijk niet kan slagen. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens. Het arrest bevestigt de uitspraak van het hof en sluit het cassatieproces af zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan kans van slagen.