ECLI:NL:HR:2021:266

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
18 februari 2021
Zaaknummer
19/05703
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepassing personeelshandboek in arbeidsovereenkomst en uitleg daarvan

In deze zaak stond centraal of het personeelshandboek integraal van toepassing is verklaard in de arbeidsovereenkomst tussen partijen en hoe dit handboek moet worden uitgelegd. De zaak betrof een geschil tussen een werknemer en een werkgever over de inhoud en toepassing van het personeelshandboek.

De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop naar eerdere vonnissen van de kantonrechter Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Het cassatieberoep richtte zich tegen het arrest van het hof, dat het personeelshandboek als integraal onderdeel van de arbeidsovereenkomst beschouwde.

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Omdat de klachten niet beantwoorden aan de criteria van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, was nadere motivering niet vereist. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep is niet behandeld omdat het principale beroep is verworpen.

De Hoge Raad veroordeelt de eiser in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest bevestigt de rechtspraak over de toepassing en uitleg van personeelshandboeken binnen arbeidsrelaties.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof over de integrale toepassing van het personeelshandboek.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/05703
Datum19 februari 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser],
advocaten: S.F. Sagel en I.L.N. Timp,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerster],
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 5698600 CV EXPL 17-3274 van de kantonrechter te Amsterdam van 16 mei 2017 en 31 oktober 2017;
het arrest in de zaak 200.233.095/01 van het gerechtshof Amsterdam van 17 september 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 6.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
19 februari 2021.