Uitspraak
wonende te [woonplaats] , thans verblijvende te [verblijfplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 februari 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of een rechter een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz Pro op grond van art. 8:12 Wvggz Pro mag wijzigen wanneer er nog geen tijdelijke verplichte zorg is toegepast, maar deze wel te voorzien is om een dreigende noodsituatie te voorkomen.
De feiten betreffen een zorgmachtiging verleend op 19 februari 2020 voor diverse vormen van verplichte zorg, waaronder medicatie, bewegingsvrijheid en toezicht. De officier van justitie verzocht op 21 april 2020 de zorgmachtiging te wijzigen en uit te breiden met onder meer verlenging van bewegingsvrijheidbeperking en insluiting. De rechtbank wijzigde de machtiging op 22 april 2020 en overwoog dat ook zonder toepassing van tijdelijke verplichte zorg van meer dan drie dagen een wijzigingsverzoek ontvankelijk kan zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat de wijzigingsmogelijkheid in art. 8:12 lid 3 Wvggz Pro primair ziet op voortzetting van tijdelijke verplichte zorg na drie dagen, maar dat een redelijke uitleg ook toelaat dat een wijzigingsverzoek wordt ingediend ter voorkoming van een dreigende noodsituatie. Dit voorkomt ongenormeerde toepassing van dwang en bevordert dat verplichte zorg zoveel mogelijk op grond van rechterlijke machtiging wordt verleend.
Het cassatieberoep van betrokkene werd verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank de wetsuitleg juist heeft toegepast en dat de beperking van wijzigingsmogelijkheden tot noodsituaties in art. 8:11 en Pro 8:12 Wvggz niet strikt moet worden geïnterpreteerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat wijziging van een zorgmachtiging ook mogelijk is ter voorkoming van een dreigende noodsituatie.