Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting door een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De verdachte had meerdere klachten ingediend, waaronder de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen, discussie over het opzet, de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer op grond van de inkeerbepaling van artikel 69.3 AWR, en de strafmotivering.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.