ECLI:NL:HR:2021:283

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 februari 2021
Publicatiedatum
23 februari 2021
Zaaknummer
20/00853
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in zaak belasting personenauto’s en motorrijwielen

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het geschil betrof een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden.

De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven voor dit oordeel, omdat de beoordeling van de middelen niet vereist dat wordt ingegaan op vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Het arrest is op 26 februari 2021 in het openbaar gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, M.E. van Hilten, samen met raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon. Hiermee is het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00853
Datum26 februari 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 februari 2020, nrs. 18/00537 en 18/00538, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/4198 en BRE 17/4199) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2021.