Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in een strafzaak over poging tot doodslag en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. De verdachte heeft beroep ingesteld tegen het hofarrest.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het hofarrest en oordeelde dat deze niet konden leiden tot vernietiging van het arrest, behalve de klacht over overschrijding van de redelijke termijn.
Het derde cassatiemiddel stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar te verminderen tot vier jaar en elf maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.