Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak tegen de verdachte, die werd veroordeeld voor gewoontewitwassen, oplichting en het aanwezig hebben van MDMA.
De raadsman van de verdachte voerde in hoger beroep een verweer aan dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de zaak ruim vijf jaar duurde vanaf de aanhouding tot het eerste aanleg. Het hof heeft echter niet gemotiveerd beslist op dit verweer, wat een schending van het recht op een gemotiveerde uitspraak inhoudt.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn inderdaad is overschreden conform artikel 6 lid 1 EVRM Pro en vermindert daarom de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden met één maand tot acht maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen en de rest van het arrest blijft in stand.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van negen naar acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.