Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door de kantonrechter veroordeeld voor rijden zonder rijbewijs en stelde hiertegen hoger beroep in. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het was ingesteld door een medewerker van de griffie op basis van een schriftelijke machtiging van de raadsvrouw van de verdachte, die volgens het hof niet voldeed aan de wettelijke eisen van artikel 450 lid 3 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de akte bleek dat de raadsvrouw zelf ter griffie was verschenen en het hoger beroep had ingesteld overeenkomstig artikel 450 lid 1 sub a Sv Pro, waardoor geen sprake was van een schriftelijke bijzondere volmacht zoals bedoeld in lid 3. Het oordeel van het hof was daarom onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting en beslissing. De verdere klachten in cassatie behoefden geen bespreking meer.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 2 maart 2021.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.