Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft schuldenaren die in 2018 werden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, welke in 2019 tussentijds werd beëindigd wegens niet-naleving van verplichtingen. De rechtbank sprak toen geen faillissement uit omdat er onvoldoende baten waren. Later bleek er echter een nalatenschap die voldoende baten bevatte, waarop de rechtbank in 2020 haar vonnis rectificeerde en stelde dat schuldenaren van rechtswege in staat van faillissement verkeren.
Het hof bekrachtigde dit oordeel, maar de Hoge Raad oordeelt dat art. 350 lid 5 Fw Pro aldus moet worden uitgelegd dat het faillissement niet van rechtswege intreedt, maar dat een rechterlijke uitspraak vereist is om het faillissement uit te spreken. De eerdere vonnissen en arresten bevatten geen faillissementsuitspraak en kunnen niet worden verbeterd buiten de grenzen van art. 31 en Pro 32 Rv.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en het rectificatievonnis van de rechtbank, wijst het herstelverzoek van de bewindvoerder af en houdt de beslissing over faillissementskosten en salaris aan. Partijen krijgen gelegenheid om gegevens over faillissementskosten en salaris aan te leveren.
Deze uitspraak benadrukt het belang van duidelijke rechterlijke uitspraken bij faillissementen en voorkomt dat het faillissement stilzwijgend van rechtswege intreedt zonder formele uitspraak, wat essentieel is voor rechtszekerheid en de benoeming van curator en rechter-commissaris.
Uitkomst: Het herstelverzoek van de bewindvoerder wordt afgewezen en het faillissement treedt niet van rechtswege in zonder rechterlijke uitspraak.