ECLI:NL:HR:2021:365

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2021
Publicatiedatum
9 maart 2021
Zaaknummer
19/04167
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatieEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen uitspraak Centrale Raad van Beroep niet-ontvankelijk

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die ging over een geschil betreffende de toepassing van de Sectorale Arbeidsvoorwaarden Waterschappen. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk is.

Volgens artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. In deze zaak is er geen wettelijke bepaling die cassatie openstelt tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in dit soort geschillen.

Belanghebbende voerde aan dat het rechtsmiddelverbod doorbroken moet worden, omdat de Centrale Raad van Beroep fundamentele rechtsbeginselen zou hebben geschonden. De Hoge Raad verwierp dit betoog en stelde dat de bevoegdheid van de Hoge Raad beperkt is tot uitleg en toepassing van enkele wettelijk aangewezen begrippen. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens biedt geen grondslag voor uitbreiding van deze bevoegdheid.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van wettelijke grondslag voor cassatie tegen deze uitspraak.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/04167
Datum12 maart 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 november 2020, nr. 19/3718 AW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Limburg (nr. 18/1516) betreffende een besluit ingevolge de Sectorale Arbeidsvoorwaarden Waterschappen.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van beroep in cassatie

Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, die is gedaan in een geschil betreffende de toepassing van de Sectorale Arbeidsvoorwaarden Waterschappen.
Het middel spreekt in dit verband over een rechtsmiddelverbod en betoogt dat dit verbod in deze zaak moet worden doorbroken omdat de Centrale Raad van Beroep volgens het middel fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. Dit betoog kan niet worden aanvaard. De bevoegdheid van de Hoge Raad om te oordelen over uitspraken van de Centrale Raad van Beroep is beperkt tot de uitleg en toepassing van enkele in de wet aangewezen begrippen. Anders dan het middel betoogt, kan aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen grondslag worden ontleend voor uitbreiding van deze bevoegdheid.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2021.