Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
5.Beslissing
16 maart 2021.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag oordeelt de Hoge Raad over een zaak betreffende medeplegen van gewoontewitwassen, valsheid in geschrift en oplichting. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf en een schadevergoedingsmaatregel met vervangende hechtenis.
De Hoge Raad behandelt meerdere cassatiemiddelen, waaronder verzoeken tot verwijzing, onderzoekswensen, en bezwaren tegen onrechtmatige inbeslagname. Deze worden afgewezen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.
Wel wordt het cassatiemiddel over de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel gegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover de vervangende hechtenis is toegepast en vermindert de gevangenisstraf tot vijf jaar en zes maanden. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur als vervangende hechtenis kan worden toegepast volgens artikel 6:4:20 Sv Pro.
Daarnaast wordt vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, wat eveneens leidt tot strafvermindering. Voor het overige wordt het beroep verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en zes maanden en gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel.