ECLI:NL:HR:2021:380

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2021
Publicatiedatum
12 maart 2021
Zaaknummer
19/02163
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 231.2 SrArt. 301 SvArt. 417.2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplichtigheid aan witwassen en gebruik vals identiteitsbewijs met termijnoverschrijding

De zaak betreft het cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, waarin hij werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwassen en het gebruik van een vals identiteitsbewijs. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over de afwijzing van verzoeken tot opnieuw voorhouden van stukken en bewijsklachten.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden. De Hoge Raad hoefde geen uitgebreide motivering te geven omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door het late aanleveren van stukken door het hof.

Gezien de opgelegde straf van twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en de mate van overschrijding, besloot de Hoge Raad geen ander rechtsgevolg aan deze termijnoverschrijding te verbinden. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02163
Datum16 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, nummer 22-002864-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 maart 2021.