Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan meermalen gepleegd witwassen. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, bewijsklachten en schending van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de ontvankelijkheid en het bewijs niet tot vernietiging konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Dit leidde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf. De Hoge Raad verminderde de taakstraf van 160 uren naar 152 uren, en de vervangende hechtenis van 80 dagen naar 76 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Taakstraf verminderd naar 152 uren en vervangende hechtenis naar 76 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.