Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het onjuist en onvolledig doen van aangiften winstbelasting door een rechtspersoon te Sint-Maarten. De verdediging stelde diverse bewijsklachten aan de orde, onder meer over het gebruik van eigen waarneming door het hof en de feitelijke leidinggevende rol.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofvonnis. De Hoge Raad hoeft de motivering niet te geven omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Wel oordeelt de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren naar 228 uren.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis uitsluitend voor wat betreft het aantal taakstraffen en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd van 240 naar 228 uren wegens overschrijding van de redelijke termijn.