De oud-notaris was na zijn eervol ontslag betrokken bij een geschil over de voortzetting van zijn notariskantoor door een waarnemer en de vaststelling van het honorarium daarvoor. Na faillissement van de vennootschap waaronder hij zijn praktijk uitoefende, werd een notaris benoemd als waarnemer met een honorarium. De oud-notaris stelde beroep in bij het hof tegen deze benoeming en honorariumvaststelling.
Het hof oordeelde dat de praktijk voortgezet mocht worden voor rekening en risico van de oud-notaris, ook na de gebruikelijke termijn van één jaar, omdat de oud-notaris niet tijdig actie had ondernomen om de situatie te wijzigen. Het hof stelde dat de oud-notaris redelijkerwijs had kunnen verwachten dat hij de minister van Justitie had moeten verzoeken een andere notaris aan te wijzen, hoewel dit niet wettelijk geregeld is.
De oud-notaris stelde in cassatie dat het beroep niet ontvankelijk was en dat de waarneming onterecht was verlengd zonder wettelijke basis en zonder hoor en wederhoor. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep ontvankelijk is, dat het hof terecht heeft geoordeeld over de termijn en het verzoek aan de minister, en dat het hof ook terecht heeft vastgesteld dat hoor en wederhoor is gewaarborgd. Het cassatieberoep is daarom verworpen.
De Hoge Raad veroordeelde de oud-notaris tevens in de kosten van het geding. Hiermee is de benoeming van de waarnemer en de honorariumregeling bevestigd, en is het beroep van de oud-notaris afgewezen.