ECLI:NL:HR:2021:449

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2021
Publicatiedatum
25 maart 2021
Zaaknummer
20/01632
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 83 ROArt. 120 lid 2 ROArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad herstelt onjuiste raadsherenvermelding in beschikking hof Arnhem-Leeuwarden

De vader van twee minderjarige kinderen, die onder toezicht zijn gesteld en uit huis geplaatst, stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden die het contact tussen hem en zijn kinderen regelde.

Het hof had de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd, maar vermeldde abusievelijk een verkeerde raadsheer. Op grond van inlichtingen van de voorzitter van de kamer bleek dat een andere raadsheer deel uitmaakte van de kamer die de beschikking gaf.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de vader niet tot vernietiging konden leiden en herstelde de vergissing in de raadsherenbenoeming. Het cassatieberoep werd verworpen en de correcte samenstelling van de kamer werd vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en de onjuiste raadsherenvermelding in de beschikking van het hof wordt hersteld.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01632
Datum26 maart 2021
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de vader,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de GI,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikkingen in de zaak C/16/466369/JE RK 18-1772 van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2018, 1 februari 2019 en 7 mei 2019;
de beschikking in de zaak 200.266.283 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 februari 2020.
De vader heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De GI heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vader heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Verzoeker tot cassatie is de vader van twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld en op grond van een machtiging van de kinderrechter uit huis zijn geplaatst.
(ii) Bij beschikking van 7 mei 2019 heeft de kinderrechter een regeling vastgesteld voor het contact tussen de vader en beide kinderen.
(iii) De vader heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.
(iv) Bij beschikking van 20 februari 2020 heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Onder de beschikking van het hof staat dat deze is gegeven door de raadsheren mrs. R. Feunekes, A. Smeeïng-van Hees en Phaff.
(v) Op de voet van art. 83 en Pro art. 120 lid 2 RO Pro heeft de plaatsvervangend Procureur-Generaal bij het hof inlichtingen ingewonnen over de samenstelling van de kamer van het hof die de in cassatie bestreden beschikking heeft gegeven. Uit de van de voorzitter van de combinatie verkregen inlichtingen blijkt dat de vermelding van de naam van de raadsheer A. Smeeïng-van Hees onder de beschikking op een vergissing berust en dat in werkelijkheid de raadsheer K.A.M. van Os-ten Have deel uitmaakte van de combinatie die de beschikking heeft gegeven.
(vi) De onder (v) bedoelde vraagstelling en inlichtingen zijn ter kennis gebracht van de vader.

3.Beoordeling van het middel

3.1
De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro).
3.2
Uit de van het hof verkregen inlichtingen (zie hiervoor in 2.1 onder (v)) blijkt dat onder de bestreden beschikking abusievelijk de naam van raadsheer A. Smeeing-van Hees staat en dat in plaats daarvan de naam van raadsheer K.A.M. van Os-ten Have had moeten worden vermeld. De Hoge Raad zal deze vergissing, waarop in de reactie op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal terecht wordt gewezen, herstellen door te verstaan door wie de beschikking is gegeven.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- verstaat dat in de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 februari 2020 met zaaknummer 200.266.283 als namen van de raadsheren die de beschikking hebben gegeven, staan vermeld: R. Feunekes, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
26 maart 2021.