Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
De betrokkene, geboren in 1993, was in cassatie gegaan tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 4 september 2019, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was toegewezen.
Het cassatieberoep werd ingediend door de betrokkene, bijgestaan door advocaat P.M. Rombouts. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de betrokkene beoordeeld, maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofuitspraak.
De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is uitgesproken op 20 april 2021 door de vice-president van den Brink als voorzitter en raadsheren Buruma en van de Griend, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Kea.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.