ECLI:NL:HR:2021:525
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad herstelt kennelijke fout in proceskostenvergoeding bij verzet tegen vereenvoudigde behandeling
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel waarin het verzet tegen een eerdere uitspraak werd afgewezen. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend op basis van een vereenvoudigde behandeling volgens artikel 8:54 Awb Pro.
In het verzet was de hoogte van de proceskostenvergoeding het geschilpunt. De Rechtbank verklaarde het verzet ongegrond omdat niet was gesteld of gebleken dat de vereenvoudigde behandeling onterecht was toegepast. De Hoge Raad oordeelde echter dat verzet ook kan zien op de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding.
De Hoge Raad constateerde een kennelijke fout in de berekening van de proceskostenvergoeding. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht diende de vergoeding hoger te zijn vastgesteld. De Hoge Raad herstelde deze fout en verhoogde de vergoeding.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en bepaalde dat het dagelijks bestuur van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn aan belanghebbende het griffierecht en de kosten van het cassatiegeding moet vergoeden. Tevens werden de kosten van het geding voor de Rechtbank toegewezen aan belanghebbende.
Dit arrest bevestigt dat verzet tegen een uitspraak op grond van artikel 8:54 Awb Pro ook kan zien op de hoogte van de proceskostenvergoeding en benadrukt het belang van correcte toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad herstelt de kennelijke fout in de proceskostenvergoeding en veroordeelt het bestuursorgaan tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende.