ECLI:NL:HR:2021:540
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake omzetbelasting
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag had behandeld. De zaak betrof door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 maart 2014, alsmede een verzoek om ambtshalve vermindering van die bedragen.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak van het hof kunnen leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de beoordeling niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.