Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft op 16 oktober 2020 verzocht om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende vervolgens verzocht binnen twee weken een formulier in te vullen, wat niet is gebeurd. Hierop is de heffing van het griffierecht voortgezet.
Vervolgens is belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is een betalingstermijn van vier weken gesteld. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht is niet betaald.
De griffier heeft belanghebbende via het webportaal van de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen, maar de aangevoerde redenen waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 9 april 2021 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.