ECLI:NL:HR:2021:549

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2021
Publicatiedatum
9 april 2021
Zaaknummer
20/03035
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende heeft op 16 oktober 2020 verzocht om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 20 oktober 2020 verzocht het daarvoor bestemde formulier binnen twee weken in te dienen. Dit formulier is niet tijdig ingediend, waarna de griffier de heffing van het griffierecht heeft voortgezet.

Vervolgens heeft de griffier belanghebbende bij aangetekende brief van 4 december 2020 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Volgens Track&Trace is deze brief afgeleverd op het opgegeven adres van belanghebbende, maar het griffierecht is niet voldaan.

Op 9 februari 2021 heeft de griffier belanghebbende in de gelegenheid gesteld om mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. De aangevoerde gronden in brieven van 16 oktober 2020 en 15 februari 2021 zijn onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 9 april 2021 in het openbaar gewezen door de vice-president en twee raadsheren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03035
Datum9 april 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2020, nrs. 20/00453 tot en met 20/00456 en 20/00506, op het verzoek van belanghebbende tot het treffen van een voorlopige voorziening en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/5774, 19/5776, 19/5777 en 19/5861).

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft op 16 oktober 2020 verzocht om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 20 oktober 2020 verzocht om binnen een termijn van twee weken het bij die brief gevoegde formulier in te vullen en in te dienen. Het formulier is niet binnen die termijn ingediend waarna de griffier de heffing van griffierecht heeft voortgezet.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 4 december 2020 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 9 februari 2021 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn brieven van 16 oktober 2020 en 15 februari 2021 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.