ECLI:NL:HR:2021:589

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2021
Publicatiedatum
15 april 2021
Zaaknummer
20/02114
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot faillietverklaring ontbonden rechtspersoon afgewezen wegens gebrek aan redelijk belang

In deze zaak heeft verzoeker cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag waarin het verzoek tot faillietverklaring van een ontbonden rechtspersoon werd afgewezen. De ontbonden rechtspersoon had geen bekende baten meer, waardoor het hof oordeelde dat er geen redelijk belang bestond bij de faillietverklaring.

De Hoge Raad heeft de klachten van verzoeker beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het oordeel nader toe te lichten, omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatte, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en daarmee de beschikking van het hof bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren G. Snijders (voorzitter), T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff en in het openbaar uitgesproken door M.J. Kroeze op 16 april 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot faillietverklaring van de ontbonden rechtspersoon afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/02114
Datum16 april 2021
BESCHIKKING
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats], België,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: [verzoeker],
advocaat: J. van Weerden,
tegen
[verweerster] B.V. IN LIQUIDATIE,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaat: M.E. Bruning.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak C/09/58712/ FT RK 20/136 van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2020;
de beschikking in de zaak 200.279.083/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 juli 2020.
[verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen schriftelijk toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
16 april 2021.