ECLI:NL:HR:2021:651

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2021
Publicatiedatum
23 april 2021
Zaaknummer
20/01452
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 414 RvArt. 152 oud Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie bij buitenlandse eiser

In deze zaak vordert Industrial Projects Management of Iran (IPMI) betaling van een groot bedrag van [verweerster] B.V. De rechtbank wees de vordering af en het hof verklaarde IPMI niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor proceskosten. IPMI stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

[Verweerster] stelde een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie, inclusief voor onbetaald gebleven proceskosten uit eerdere instanties. IPMI verzette zich tegen de zekerheidstelling voor onbetaalde proceskosten uit eerste aanleg, maar accepteerde zekerheidstelling voor het griffierecht, salaris advocaat en nakosten in het cassatieberoep.

De Hoge Raad bevestigde dat op grond van art. 224 Rv Pro de verplichting tot zekerheidstelling alleen betrekking heeft op proceskosten die voortvloeien uit het huidige geding, waaronder het cassatieberoep en eventuele incidentele cassatieberoepen, maar niet op onbetaalde proceskosten uit eerdere instanties. De Hoge Raad veroordeelde IPMI tot zekerheidstelling van € 10.057 voor het cassatieberoep en het incident, met een mogelijkheid tot vermindering indien reeds voldaan.

De zekerheid moest uiterlijk op 4 juni 2021 worden gesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid in cassatie. Tevens werd IPMI veroordeeld in de kosten van het incident. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: IPMI is veroordeeld tot zekerheidstelling van € 10.057 voor proceskosten in cassatie, exclusief onbetaalde kosten uit eerdere instanties.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01452
Datum23 april 2021
ARREST
In de zaak van
INDUSTRIAL PROJECTS MANAGEMENT OF IRAN,
gevestigd te Teheran, Iran,
EISERES tot cassatie,
hierna: IPMI,
advocaat: M.W. Scheltema,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaten: M. Littooij en M.B.A. Alkema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/02/320542 / HA ZA 16-651 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 januari 2017, 19 april 2017, 21 juni 2017, 31 januari 2018 en 13 juni 2018;
de arresten in de zaak 200.247.136/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juni 2019 en 4 februari 2020.
IPMI heeft tegen het arrest van het hof van 4 februari 2020 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een incidenteel verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend.
IPMI heeft een verweerschrift tot referte ten aanzien van de incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de betaling van het griffierecht, het salaris advocaat in het principale cassatieberoep en de nakosten, en tot afwijzing van de incidentele vordering voor het overige.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot afwijzing van de incidentele vordering tot veroordeling van IPMI om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie, voor zover de vordering betrekking heeft op de nog onbetaalde proceskosten in eerste aanleg waartoe IPMI door de rechtbank is veroordeeld en toewijzing van de vordering tot zekerheidstelling voor het overige.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
IPMI, gevestigd in Iran, vordert in dit geding dat [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.256.168,50. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.
2.2
Het hof heeft IPMI niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat IPMI niet tijdig heeft voldaan aan het aan haar op de voet van art. 224 Rv Pro opgelegde bevel tot zekerheidstelling voor de proceskosten.
2.3
Tegen het arrest van het hof heeft IPMI beroep in cassatie ingesteld.

3.Beoordeling van de incidentele vordering

3.1.1
In cassatie heeft [verweerster] een incidentele vordering tot zekerheidstelling ingesteld op de voet van art. 414 Rv Pro in verbinding met art. 224 Rv Pro. [verweerster] vordert, samengevat, dat IPMI wordt veroordeeld tot zekerheidstelling voor de proceskosten tot in totaal € 15.826,--, althans tot een door de Hoge Raad in goede justitie te bepalen bedrag.
3.1.2
De incidentele vordering van [verweerster] betreft zekerheidstelling voor de proceskosten van [verweerster] waartoe IPMI in het principaal cassatieberoep, in dit incident en in een (mogelijk) incidenteel cassatieberoep zou kunnen worden veroordeeld, alsmede voor het onbetaald gebleven gedeelte van de proceskosten tot betaling waarvan IPMI in eerste aanleg is veroordeeld.
3.1.3
IPMI heeft geconcludeerd tot referte ten aanzien van de gevorderde zekerheidstelling voor de betaling van het griffierecht, het salaris van de advocaat in het principale cassatieberoep en de nakosten. Met betrekking tot het salaris van de advocaat in het incident en in een mogelijk incidenteel cassatieberoep, alsmede ten aanzien van de onbetaald gelaten proceskosten in eerste aanleg heeft IPMI geconcludeerd dat de vordering tot zekerheidstelling dient te worden afgewezen.
3.2.1
Art. 224 lid 1 Rv Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De strekking van deze bepaling is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft. [1] Op grond van het bepaalde in art. 414 lid 1 Rv Pro is art. 224 Rv Pro ook van toepassing in cassatie, met dien verstande dat slechts de oorspronkelijk eiser of verzoeker die ook principaal cassatieberoep heeft ingesteld, verplicht kan worden tot het stellen van zekerheid (zie art. 414 leden Pro 2 en 3 Rv).
3.2.2
Uit art. 224 lid 1 Rv Pro volgt dat de verplichting tot het stellen van zekerheid ziet op de proceskosten tot betaling waarvan de partij die zekerheid dient te stellen, veroordeeld zou kunnen worden. Daartoe behoren ook de kosten van het incident tot zekerheidstelling, en in cassatie de kosten van een eventueel in te stellen incidenteel cassatieberoep.
3.2.3
Voor onbetaald gebleven proceskosten tot betaling waarvan een partij in eerdere instanties is veroordeeld, kan niet op de voet van art. 224 Rv Pro zekerheidstelling worden gevorderd. Die bepaling ziet alleen op zekerheidstelling voor de rechtstreeks uit de desbetreffende instantie voortvloeiende proceskosten, zoals de Hoge Raad heeft beslist voor de voorloper van art. 224 Rv Pro (art. 152 (oud) Rv). [2] Uit de parlementaire geschiedenis van art. 224 Rv Pro volgt niet dat de wetgever op dit punt een wijziging heeft beoogd. [3]
3.3
Vast staat dat IPMI gevestigd is en kantoor houdt te Teheran, Iran, en dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland, zodat in zoverre is voldaan aan het vereiste van art. 224 lid 1 Rv Pro. Niet is gesteld of gebleken dat een van de uitzonderingen genoemd in art. 224 lid Pro 2, onder a tot en met d, Rv van toepassing is. Voorts is voldaan aan het vereiste dat de partij jegens wie zekerheidstelling wordt gevorderd, IPMI, de oorspronkelijk eiser is en de eiser tot cassatie in het principale beroep.
3.4
Nu het enige punt waarop [verweerster] door het hof in het ongelijk is gesteld, de afwijzing betreft van haar vordering tot zekerheidstelling voor de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling, en die afwijzing gelet op het hiervoor in 3.2.3 overwogene juist is, ziet de Hoge Raad in dit geval geen aanleiding IPMI te verplichten zekerheid te stellen voor de kosten van een eventueel door [verweerster] in te stellen incidenteel cassatieberoep.
3.5
Het hiervoor overwogene brengt mee dat IPMI zal worden veroordeeld zekerheid te stellen voor de proceskosten van het principale cassatieberoep en dit incident, en dat de vordering van [verweerster] voor het overige zal worden afgewezen.
3.6.
De Hoge Raad begroot de proceskosten waarvoor IPMI zekerheid dient te stellen op grond van de liquidatietarieven die gelden in civiele cassatiezaken, als volgt:
- € 6.900,-- griffierecht;
- € 2.200,-- salaris advocaat in het principale cassatieberoep;
- € 800,-- salaris advocaat in het incident op de voet van art. 224 Rv Pro;
- € 157,-- nakosten.
Totaal proceskosten € 10.057,--
3.7
Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal IPMI worden veroordeeld in de kosten van het incident.
3.8
Indien IPMI aan de hiervoor in 3.7 bedoelde proceskostenveroordeling heeft voldaan vóór het moment waarop ingevolge dit arrest uiterlijk door haar zekerheid moet zijn gesteld, wordt het hiervoor in 3.6 bepaalde bedrag waarvoor IPMI zekerheid dient te stellen, verminderd met het bedrag van deze proceskostenveroordeling, zoals hierna in het dictum bepaald.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
in het incident:
- veroordeelt IPMI tot het stellen van zekerheid tot een bedrag van € 10.057,-- voor de proceskosten waarin zij in cassatie kan worden veroordeeld, welk bedrag wordt verminderd met € 800,-- indien IPMI uiterlijk op 4 juni 2021 heeft voldaan aan de hierna uit te spreken proceskostenveroordeling;
- bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk op 4 juni 2021, op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI in het cassatieberoep;
- veroordeelt IPMI in de kosten van dit incident, welke kosten aan de zijde van [verweerster] tot aan deze uitspraak worden begroot op € 800,-- voor salaris;
- wijst het meer of anders gevorderde af.

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de roldatum 11 juni 2021 voor indiening verweerschrift door [verweerster].
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
23 april 2021.

Voetnoten

1.Vgl. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 392 en HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, rov. 3.2.1.
2.Vgl. HR 30 april 1925, ECLI:NL:HR:1925:98.
3.Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 391 e.v.