Uitspraak
gevestigd te Teheran, Iran,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de incidentele vordering
4.Beslissing
in de hoofdzaak:
23 april 2021.
Hoge Raad
In deze zaak vordert Industrial Projects Management of Iran (IPMI) betaling van een groot bedrag van [verweerster] B.V. De rechtbank wees de vordering af en het hof verklaarde IPMI niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor proceskosten. IPMI stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
[Verweerster] stelde een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie, inclusief voor onbetaald gebleven proceskosten uit eerdere instanties. IPMI verzette zich tegen de zekerheidstelling voor onbetaalde proceskosten uit eerste aanleg, maar accepteerde zekerheidstelling voor het griffierecht, salaris advocaat en nakosten in het cassatieberoep.
De Hoge Raad bevestigde dat op grond van art. 224 Rv Pro de verplichting tot zekerheidstelling alleen betrekking heeft op proceskosten die voortvloeien uit het huidige geding, waaronder het cassatieberoep en eventuele incidentele cassatieberoepen, maar niet op onbetaalde proceskosten uit eerdere instanties. De Hoge Raad veroordeelde IPMI tot zekerheidstelling van € 10.057 voor het cassatieberoep en het incident, met een mogelijkheid tot vermindering indien reeds voldaan.
De zekerheid moest uiterlijk op 4 juni 2021 worden gesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid in cassatie. Tevens werd IPMI veroordeeld in de kosten van het incident. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: IPMI is veroordeeld tot zekerheidstelling van € 10.057 voor proceskosten in cassatie, exclusief onbetaalde kosten uit eerdere instanties.