ECLI:NL:HR:2021:701

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 2021
Publicatiedatum
6 mei 2021
Zaaknummer
20/00377
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding en billijke vergoeding

In deze zaak stond de ontbinding van een arbeidsovereenkomst centraal, waarbij de verstoorde arbeidsverhouding tussen werknemer en werkgever de aanleiding vormde. De werknemer stelde dat de ontbinding onterecht was en dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld, wat een billijke vergoeding zou rechtvaardigen.

De zaak werd in eerste aanleg en hoger beroep behandeld, waarbij het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst bevestigde en geen billijke vergoeding toekende. De werknemer stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, die het beroep heeft beoordeeld.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de werknemer niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om de zaak nader te motiveren, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de werkgever behoefde daarom geen behandeling.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd en bleef de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de afwijzing van de billijke vergoeding in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst blijft in stand zonder toekenning van billijke vergoeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/00377
Datum7 mei 2021
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [de werknemer],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
ITV STUDIOS HOLDING B.V., voorheen genaamd TALPA MEDIA B.V.,
gevestigd te Laren,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: Talpa,
advocaat: S.F. Sagel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 7463218 / ME VERZ 19-10 van de kantonrechter te Almere van 14 maart 2019;
de beschikking in de zaak 200.260.858/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 november 2019.
[de werknemer] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Talpa heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaat van [de werknemer] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [de werknemer] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Talpa begroot op € 899,07 aan verschotten en € 1.800,- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
7 mei 2021.